Home | Nieuws | "Topcoaches zijn grote ego’s"

"Topcoaches zijn grote ego’s"

30/10/2016

De volleybalwereld zwaaide in september een icoon uit. Dominique Baeyens nam na veertig succesvolle jaren afscheid van de topsport. Al blijft volleybal ook in de toekomst het leven van de 60-jarige Pajot uit Ternat domineren, maar dan op een lager niveau. Voor onze krant laat ‘de sfinx’ voor één keer in zijn ziel kijken.

“Laat me eerst iets rechtzetten. Mensen vragen mij voortdurend of ik weet wat gedaan op pensioen, of ik geen last heb van het zwarte gat. Ik wil hen geruststellen: ik ben niet gestopt. Ik werk keihard met jonge trainers en atleten op de topsportschool in Vilvoorde. Alleen het actieve topsportgebeuren is weggevallen, en dat voelt aan als een opluchting.”

Baeyens heeft een imposante carrière achter de rug. Als speler, maar vooral als trainer van Zellik en Roeselare (negen landstitels, één Europabeker, acht keer trainer van het jaar) én als bondscoach van 2012 tot dit najaar. Hij loodste de Red Dragons in 2014 voor het eerst in 36 jaar naar een wereldkampioenschap. “Ik denk wel dat ik als bondscoach een mooie voetafdruk nagelaten heb. Meedoen in de World League, twee keer EK, één kwartfinale zelfs, alleen op dat WK hadden we beter moeten doen, maar goed. Alleen al deelnemen daaraan verhoogt je prestige als volleybalnatie. En het afscheid kon niet mooier, met een kwalificatie voor het EK volgend jaar.”

De Olympische Spelen heb je niet gehaald. Is dat een ontgoocheling?
Ik ben een realist. Ik wist dat dit team niet klaar was. Al hoop je natuurlijk. Als Europees land is het moeilijk. Amper twaalf landen nemen deel, en men wil absoluut ook Afrikanen en Aziaten. Die ploegen spelen wij zo op een hoopje. Blijkbaar wordt nu wel achter de schermen gelobbyd om zestien ploegen toe te laten. Ik hoop dat de volgende bondscoach (Vital Heynen, red) die stap wel kan zetten. De gemiddelde leeftijd van het team is 25 jaar. De toekomst oogt mooi.

Als coach viel je drang naar innovatie op. Jij bent pionier in psychologische begeleiding in het volleybal.
Een coach moet altijd zoeken naar innovatie, hoe klein ook, alleen al om je spelers alert te houden. Dat benadruk ik ook op mijn lezingen voor bedrijven. En die psycholoog, ja, dat was begin jaren negentig in Zellik. (lacht) Ik zie die voorzitter nog naar me toe komen. Waarom is dat nodig? Ook veel spelers vonden dat raar. Een psycholoog, of een psychiater, men wist vaak het verschil niet, dat is toch iets voor zieke mensen, niet voor sporters.

Hoe heb je hen overtuigd?
Door de meerwaarde heel goed uit te leggen. Als je niet genoeg communiceert, kruipen mensen in een egelstelling, en wordt het moeilijk. Ik ben fier dat ik dat heb kunnen introduceren en dat nadien andere ploegen gevolgd zijn. Weet je, als coach op dat niveau kan je je spelers geen twintig procent beter maken, maar moet je proberen die één à twee procent verschil te maken. Dat kan door betere mentale begeleiding.

 

Was je liever coach dan speler?

O neen. Een coach is een surrogaat. Niets mooier dan zelf zweten.

Jij bent vroegtijdig moeten stoppen door een rugblessure.
Ik was een jaar of dertig. Volleybal is eigenlijk geen gezonde sport, en zeker niet in die tijd. Wij sprongen op beton, hè. Ook de eerste jaren als coach waren moeilijk, ik kon soms haast niet stappen. Nu is dat beter, ik weet heel goed wat ik mag en niet mag doen. Voor reüniewedstrijden moet je mij niet vragen, tennissen doe ik ook niet meer.

 

Toen je als coach begon, gaf je je job als leerkracht LO op. Je vader verklaarde je gek, niet?
Natuurlijk. Ik was vast benoemd, zat safe voor de rest van mijn leven. Mijn vader was spoorwegarbeider, ook vast benoemd, hij wist dus welk pensioen daaraan verbonden was. Maar kijk, in je leven passeert al eens een trein. Dan moet je durven springen. Want als je te lang wacht, vertrekt die weer en komt die mogelijk nooit terug. Ik kreeg de kans om in Zellik een kampioenenploeg te vormen. Volleybal was mijn passie. Dan twijfel je niet.

Vanwaar komt die passie?
Ik denk momenteel na over een biografie, en met die vraag worstel ik. Als kind was ik gek van sport, voetbal, lopen, fietsen. Maar ik speelde even graag piano. Ik denk dat mijn oudere broer de belangrijkste factor was. Hij startte een volleybalclub in de school op 200 meter van onze deur. Ik ging natuurlijk kijken, en na de wedstrijd sprong ik zelf het veld op om te spelen. Ik zie vandaag jonge gastjes hetzelfde doen. Dat doet me altijd aan mijn jeugd denken. Maar ik vraag me af of ik zonder mijn broer ook gevolleybald zou hebben.

Jij houdt van kunst. Stel: je mag opnieuw beginnen, en je kan de twee even goed, wat kies je: volleyballer of kunstenaar?
Dat is moeilijk. Ik ben jaloers op mensen die iets creëren. Dat vind ik zó mooi. Een boek schrijven is trouwens een jongensdroom van mij, nog vóór ik volleyballer wou worden. Ik zou kunstenaar kiezen, ja. Soms heb ik spijt dat ik geen muzikant geworden ben.

“Mijn dochters hebben vaak te maken gehad met een norse vader. De impact van de sportieve resultaten was groot op ons gezin”, zeg je in een interview met Krant van West-Vlaanderen. Heb je daar spijt van?
Als ik hen nu in het leven zie staan, denk ik niet dat dat zoveel schade heeft berokkend. Maar spijt … (zwijgt even) Je thuis afreageren als de resultaten tegenvallen, is fundamenteel onrechtvaardig. Dat besef ik. Let op: ik was geen onmens, hè, ik begon niet te roepen of te tieren. Maar je bent wel dag en nacht met je job bezig, en dat maakt je niet de meest gezellige mens. Als wij op zondag samen iets deden, was ik vaak mentaal afwezig. Je mag ook niet vergeten dat topcoaches allemaal grote ego’s zijn. Geloof ze niet als ze het tegendeel beweren. Ik heb het onderwijs niet laten staan om derde te worden. Ik wou de beste zijn.

Nemen je dochters je dat kwalijk?
Dat denk ik niet. Al steken ze het wel eens door. Onlangs zeiden ze nog dat ze vroeger geen vriendinnetjes durfden uitnodigen de dag na een nederlaag. Dat doet je wel even nadenken.

Speelde het familiale een rol in je beslissing te stoppen als bondscoach?
Neen, die beslissing was persoonlijk. (zwijgt even) Ik wou dat scorebord weg uit mijn leven. Dat was de doorslaggevende factor. Al dertig jaar bepaalt een punt meer of minder mijn gemoedstoestand. Onderschat dat niet. Ook mijn leeftijd speelde een rol. Al twee jaar was ik overal de oudste.

Je wordt een sfinx genoemd, omdat je moeilijk te doorgronden bent. Is dat een masker of ben je zo?
Ik loop niet met mijn emoties te koop, nooit. Dat zal genetisch bepaald zijn, denk ik. Noch mijn broer noch vader deed dat. Dat wil niet zeggen dat ik geen emoties heb. Maar ik kan die moeilijk uiten. Als coach vind ik dat wél goed. Je moet altijd rationaal blijven analyseren.

Is het door die nuchterheid dat je een icoon werd in het West-Vlaamse Roeselare?
Misschien wel. Al bestaat het gevaar nu in clichés te vervallen. Menselijk klikte het goed met grote baas Rik De Nolf. Die man is zo machtig, maar blijft de eenvoud en de rust zelve. Onze contractbesprekingen waren best spectaculair. (lacht)

Vertel.
Twee minuten duurden die, nooit langer. Ik kwam binnen in zijn kantoor. Hij vroeg twee dingen. Of ik koffie wou, en hoeveel jaar ik zou bijtekenen, twee of drie. Ik zei drie en we waren akkoord. Financieel heb ik nooit het onderste uit de kan gehaald. Al moet ik ook niet flauw doen, ik werkte niet voor peanuts.

 

"De Zondag" 30 oktober 2016 (Paul Cobbaert)

Door deze site te gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. Cookies kunnen worden beheerd in uw browser of de apparaatinstellingen.